Cathie woont met haar zoontje Jan bij haar ouders. Ze durft het huis niet uit en is liever ook niet alleen thuis. In het afgelopen jaar is ze alleen buitenshuis geweest voor een bezoek aan de tandarts en toen Jan in het ziekenhuis lag. Buiten krijgt ze na een paar stappen al last van benauwdheid, hartkloppingen en duizeligheid. Als ze daaraan denkt raakt ze al in paniek.
Die angst is begonnen na de zwangerschap. Daarvoor was Cathie actief en ondernemend. Ze had een goede baan als directiesecretaresse en een leuk huis. Toen ze zwanger was ging de vader van de baby er vandoor met een goede vriendin. Ze dacht: ‘ik red me wel’.
Maar na de geboorte van Jan veranderde er iets. Ze durfde zich steeds minder te vertonen, alsof je aan haar kon zien dat ze wel een kind maar geen echtgenoot had. Eerst ging ze alleen wat minder naar feestjes, maar na verloop van tijd durfde ze steeds minder.
Zo raakte ze haar baan kwijt en de meeste van haar vrienden. Gelukkig kon ze met Jan bij haar ouders terecht. Zij brengen Jan overal naar toe en gaan naar ouderavonden. Cathie wil dolgraag meer met haar zoon ondernemen, maar het gaat gewoon niet.
Tijdens een huisbezoek aan haar moeder ontdekte de huisarts bij toeval haar klachten. Cathie krijgt een paniekaanval als ze hem wil binnenlaten. Door de medicijnen die ze nu heeft tegen de angst, kan ze een psycholoog bezoeken en deelnemen aan groepsbehandeling. Stap voor stap oefent ze al die dingen die ze niet meer durfde. Door de therapie komen allerlei diepe emoties naar boven, waarvan ze niet wist dat ze ze had.
Voorzichtig bouwt Cathie zo aan een gezonde, zelfstandige toekomst met Jan.