Theo zal het nooit vergeten. Een zondagmiddag. Hij rijdt naar huis met zijn vrouw en hun twee kinderen van vier en zes jaar oud. Ze komen van de camping. Onderweg is de auto in de berm beland en tegen een boom tot stilstand gekomen. Hoe het gebeurd is, weet Theo niet. Hij heeft wanhopig aan het stuur gerukt en hoorde zijn vrouw gillen van paniek. Toen werd het stil. Na drie weken op de Intensive Care hoort Theo dat hij als enige het ongeluk heeft overleefd.
Het gebeurde vier jaar geleden. Maar als Theo erover vertelt ziet hij er uit als een gebroken man: bleek, moe, tranen in de ogen. Hij wordt 's nachts nog vaak wakker, nat van het zweet. Hij kan de herinneringen niet loslaten. Steeds komen de gedachten weer boven: "Hoe heeft het kunnen gebeuren?"; "had ik maar beter opgelet!". En voortdurend wordt hij gekweld door zijn schuldgevoel: "het is mijn schuld dat ze er niet meer zijn". Theo vertelt dat hij de eerste tijd na het ongeval verdoofd leek: "Ik kon niet geloven wat er gebeurd was. Daarna ben ik volledig ingestort. Ineens is het tot mij doorgedrongen dat het écht waar is, dat ik alléén ben en dat ik hen de dood in heb gestuurd. Het klinkt gek, maar ik heb vaak stiekem gedacht dat mijn vrouw en kinderen ineens door de deur naar binnen komen lopen. Die hoop is langzaam verdwenen. Nu besef ik dat ze er echt niet meer zijn."