Ik was student toen mijn eetstoornis begon. Mijn ouders hadden het moeilijk toen ik het hen vertelde. Ze schaamden zich dat ze een kind hadden dat leed aan een 'mentale ziekte' en gaven me de schuld voor het kapotmaken van de familie. Ze weigerden de nodige behandeling te betalen. Ik denk dat ze vooral het probleem probeerden te ontkennen en te negeren. Ze dachten dat het probleem vanzelf zou over gaan. Ze wilden niet erkennen dat er een ernstig probleem was dat moest worden aangepakt.
Gezien deze situatie heb ik mijn ouders de laatste zes jaar niet meer gezien of gesproken. Ik vind dat dit NIET DE GOEDE MANIER is om ermee om te gaan. Mijn herstel was lang, hard en eenzaam.
Momenteel ben ik lerares. Het verontrust me wat leerlingen me (over zichzelf) zeggen. Ze zijn ongelofelijk bezig met hun lichaam, steeds aan het discussiëren hoe dik ze zijn, en aan het overwegen wat ze wel en wat ze niet zouden mogen eten. Omdat ik zelf nog steeds aan het herstellen ben van een eetstoornis, ben ik soms bezorgd over het beeld dat ik overbreng op mijn leerlingen.
Mijn ervaring met mijn eigen ouders, en het herstellen van mijn eetstoornis, heeft me niet alleen veel geleerd over mezelf, het heeft me ook geleerd hoe ik wil omgaan en werken met mijn leerlingen en hun ouders.
Als ik een gesprek heb met een ouder van een leerling besef ik vaak dat de boodschappen die ik wil overbrengen naar de ouders, dezelfde zijn als die ik zelf graag van mijn eigen ouders had gekregen. De meeste situaties en ouder-kind-conflicten die ik tegenkom als lerares, kunnen opgelost worden als de ouder met zijn kind praat of geluisterd naar de boodschap van hun kind.